De ziekte van Parkinson is een hersenziekte en treedt vooral op bij mensen tussen de 50 en 60 jaar. In 1817 werd de ziekte door James Parkinson ontdekt. Sindsdien zijn er talloze dierexperimentele onderzoeken gedaan om een behandeling te vinden tegen deze 'schudziekte'.
Parkinson ontstaat door afstervende zenuwcellen in bepaalde delen van de hersenen. Deze cellen hebben als taak om de stof dopamine te produceren. Als zij afsterven wordt minder dopamine aangemaakt en ontstaat er een tekort. Door dit tekort gaan de hersenkernen, die betrokken zijn bij de centrale bewegingen, slechter functioneren. Hierdoor wordt de aansturing van de spieren moeilijker. Parkinson wordt daardoor ook wel een 'schudziekte' genoemd. Klachten die mensen ervaren zijn:
De ziekte van Parkinson is ongeneeslijk, omdat de oorzaak van de ziekte (nog) niet bekend is. Het is echter niet dodelijk, de gemiddelde levensverwachting is vrijwel even hoog als die van mensen die de ziekte niet hebben.
De afgelopen veertig jaar heeft proefdieronderzoek in grote mate bijgedragen aan het verkrijgen van meer kennis over de ziekte en het ontwikkelen van medicijnen om de klachten te verminderen en te verlichten. Zodra er eenmaal Parkinson-klachten zijn, gaan ze niet meer weg en door de jaren heen nemen de klachten toe. Pijnbestrijdende middelen zijn dan ook van groot belang voor Parkinson-patiënten. Sommige mensen hebben er baat bij als bepaalde hersendelen elektrisch worden gestimuleerd.
Onderzoek met proefdieren heeft het volgende bereikt: