> home > Veelgestelde vragen
|
Veelgestelde vragen
|
| V: |
Hebben mensen wel het recht proeven op dieren te doen? |
A: |
Er zijn mensen die het gebruiken van dieren, voor welk doel dan ook, principieel afwijzen. Dat is een te respecteren standpunt. Anderen achten het gebruik van dieren onder voorwaarden aanvaardbaar. De Verklaring van Helsinki, die in 1964 is aanvaard door de 18de World Medical Assembly stelt dat medisch onderzoek op mensen gebaseerd moet zijn op gedegen laboratoriumonderzoek en dierexperimenteel onderzoek. Internationale en nationale overheden hebben dierexperimenteel onderzoek wettelijk verplicht gesteld voordat geneesmiddelen, vaccins of andere medische stoffen bij mensen mogen worden toegepast.
|
| V: |
Kunnen computermodellen, weefselonderzoek en andere methoden dierproeven niet vervangen? |
A: |
Er kan steeds meer worden onderzocht met methoden waarbij geen dieren nodig zijn. Als er een goedgekeurde alternatieve onderzoeksmethode beschikbaar is, dan wordt een dierproef niet toegestaan. Alle betrokkenen werken hard aan de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. Zij doen dat om principiële en ethische redenen én om economische redenen. Dierproeven zijn duur en arbeidsintensief. Een computer kan 24 uur per dag doorgaan met testen. De beschikbare 'in vitro' (reageerbuis) methoden zijn echter niet in staat de uiterst ingewikkelde interactie na te bootsen tussen cellen, weefsels en organen van levende wezens. Het is dan ook niet te verwachten dat dierproeven volledig kunnen worden vervangen.
|
| V: |
Zijn resultaten van dierproeven wel geldig voor mensen? |
A: |
De verschillen tussen dieren en mensen zijn veel kleiner dan de grote anatomische, fysiologische en genetische overeenkomsten. Daarom geven onderzoeken bij dieren belangrijke aanwijzingen over wat bij mensen te verwachten valt. Zo is veel kennis over het afweersysteem opgedaan in onderzoek bij muizen en veel kennis over hart- en vaataandoeningen in onderzoek bij honden. Het is een wijdverbreid misverstand dat dierproeven worden gedaan om te testen of, bijvoorbeeld, een nieuw geneesmiddel tegen kanker goed werkt bij mensen. Wat bij mensen werkt en of bijwerkingen aanvaardbaar zijn, kan alleen worden vastgesteld door een geneesmiddel bij mensen toe te passen. De doelstelling van de vereiste dierproeven voor het testen van de veiligheid van geneesmiddelen is doorgaans beperkt. Er wordt bijvoorbeeld gekeken of een vaccin wel veilig is; of een geneesmiddel niet giftig is of kankerverwekkend.
|
| V: |
Waar komen proefdieren vandaan? |
A: |
In Nederland mogen alleen proeven worden gedaan op speciaal daarvoor gefokte laboratoriumdieren. Een aantal laboratoria fokt zelf dieren, andere kopen ze bij gespecialiseerde fokbedrijven die een vergunning van de overheid hebben. Deze dieren zijn vrij van ziekten en infecties en vaak ook genetisch identiek, waardoor de onderlinge individuele verschillen minimaal zijn. Daarmee zijn ook de verschillen in de uitkomsten van de proeven heel klein, waardoor met minder dieren per proef kan worden volstaan, dan wanneer niet deze speciaal gefokte en gehouden dieren zouden worden gebruikt.
|
| V: |
Is het juist dat veel konijnen, apen en honden worden gebruikt? |
A: |
Muizen en ratten zijn de meest gebruikte proefdieren (70%) daarna komen kippen (15%) en vissen (4%). Een tabel is elders op deze site te zien. |
| V: |
Waarom moeten we nog steeds proefdieronderzoek doen op de veiligheid van stoffen? |
A: |
In Nederland wordt alleen toestemming voor een dierproef gegeven als het gaat om onderzoek dat van belang is voor de gezondheid of voeding van mens of dier of voor het beantwoorden van een wetenschappelijke vraag. Denk aan kleurstoffen of conserveringsmiddelen die in voeding worden toegepast of aan stoffen voor reinigingsmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen. Onderzoek voor cosmetica is sinds 1997 verboden.
|
| V: |
Lijden proefdieren veel pijn? |
A: |
De overheidsinspectie die toezicht houdt op dierproeven in Nederland geeft voor 2006 aan dat in 62,2% van de dierproeven sprake was van gering of matig ongerief. Bij 34,4% was sprake van matig tot ernstig ongerief; bij 3,4% van ernstig ongerief en bij 0,01% van zeer ernstig ongerief. Ongerief is niet altijd pijn, maar bijvoorbeeld ook stress. Onderzoekers zijn verplicht pijn zoveel mogelijk tegen te gaan, bijvoorbeeld door verdoving en pijnbestrijding, of door een dier te doden voordat ernstige pijn optreedt. In 2006 werd bij 31% van de proeven verdoving toegepast en bij 8% pijnbestrijding. Bij de andere proeven was het of niet nodig of niet mogelijk. Bij het tegengaan van stress, die dieren soms al krijgen als ze vaak worden opgepakt, is pijnbestrijding geen optie.
|
| V: |
Wat gebeurt er met de dieren na de proef? |
A: |
De overgrote meerderheid wordt pijnloos geeuthanaseerd onder eindverantwoordelijkheid van een dierenarts. Dit is vaak nodig omdat er onderzoek moet worden gedaan op weefsels of organen om de resultaten van de proef te bepalen. Kleinere aantallen dieren blijven in leven en worden soms ingezet voor een tweede proef. In 2006 waren dat er circa 13.349. Het gebeurt vrijwel nooit dat een dier meer dan twee keer voor een proef wordt gebruikt. In principe mogen de dieren het laboratorium niet verlaten. Een uitzondering is gemaakt voor een groep chimpansees waarbij aids- of hepatitisonderzoek is gedaan. Deze groep is in dierentuinen geplaatst (onbesmette dieren) of in een speciale opvang (besmette dieren).
|
| V: |
Groeit of daalt het aantal proefdieren en dierproeven? |
A: |
Over langere termijn is een dalende lijn zichtbaar van ruim 1.5 miljoen in 1978 tot ruim 603.741 in 2006. Het jaarverslag van de Voedsel en Waren Autoriteit meldt in Nederland in 2006 een daling van 1,5% ten opzichte van 2005. Voor de daling is geen specifieke reden aan te wijzen. De structurele daling van het aantal dierproeven over de langere termijn heeft meerdere oorzaken. Belangrijk is in elk geval het consequente 3V-beleid: Vervangen, Verminderen, Verfijnen.
|