Het is in Nederland verboden dierproeven te verrichten of proefdieren te fokken, zonder een vergunning te hebben op basis van de Wet op de dierproeven. Instellingen die dierproeven willen doen, kunnen een vergunning aanvragen bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Er zijn in Nederland 72 vergunninghouders en het aantal mutaties bedraagt jaarlijks een handjevol.
Na het ontvangen van de aanvraag gaat het Ministerie van VWS na of de aanvrager aan alle vereisten voldoet:
Een Dierexperimentencommissie (DEC) controleert het onderzoeksplan dat is opgesteld door een onderzoeker. Een DEC beoordeelt het onderzoeksplan op 15 aspecten, waaronder:
Alle criteria vind je in het hoofdstuk Dierexperimentencommissie. Vaak wordt de onderzoeker om verduidelijking gevraagd of gevraagd het onderzoeksplan aan te passen. Tenslotte volgt het advies van de DEC.
Alleen bij een positief advies van de DEC mag het onderzoek worden uitgevoerd. Aan het eind van het jaar moet de vergunninghouder een statistische rapportage van de dierproeven aan de overheid sturen. Daarin staat informatie over de dierproeven die zijn gedaan:
De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) is een overheidsinstantie die meerdere keren per jaar controleert of de vergunninghouders de wetten en regels naleven. Ook ziet de NVWA toe op het functioneren van de Dierexperimentencommissies.
De NVWA verzamelt de statistische informatie van vergunninghouders en dierexperimentencommissies over de uitgevoerde dierproeven. Zij bundelt deze rapportages en maakt er een jaarverslag van. Dit jaarverslag heet Zodoende. Download Zodoende 2010.